Schrijven in het verleden, heden en toekomst…

In november 2013 verscheen mijn eerste boek, Het Gesso Mysterie (zie verderop in dit artikel). Zoals ik hieronder schrijf, was dat voor mij noodzakelijk vanwege een (populair) wetenschappelijk belang. Maar dat was niet de enige reden, want ik heb sowieso iets met boeken, schrijven en de Nederlandse taal.

Olympia_typemachine_voor_ schrijver

Al op zeer jonge leeftijd kwam ik tot het besef dat ik wel eens schrijver zou willen worden. Ik kreeg er geen genoeg van om lange verhalen te typen op de schrijfmachine van mijn vader. Niemand kon daar natuurlijk wijs uit worden. Heimelijk hoopten mijn ouders vast dat de zogenaamde Stelling van de Eindeloos Typende Apen via mijn actie werkelijkheid zou worden. Mijn vroege jeugd duurde echter te kort om bij toeval een literair meesterwerk te creëren.

Toch zat op de een of andere manier het schrijven mij in het bloed. Op de Lagere School toonde ik mij een ware schrijver via lange opstellen die de juffen en meesters doorgaans goed wisten te waarderen. Later, op de Middelbare Handelsdagschool, had ik een docent Nederlands die mij wist te inspireren om de taal nóg mooier te vinden dan ik al deed. Deze man kreeg mij zo ver om mij te verdiepen in oud-Nederlandse literatuur en manuscripten. Het 14e eeuwse handschrift “Beatrijs” van een onbekende Brabander behoorde al snel tot mijn favorieten.

mijn eerste boek

De wens om zelf een boek te schrijven bleef knagen. Ik werd echter voortdurend geconfronteerd met tijdgebrek, zodat daar lang niets van kwam. Uiteindelijk stelde ik mij als doel om er pas na mijn pensionering in het jaar 2017 mee te beginnen. Toch liep het iets anders. Mijn voortdurende onderzoekshobby had namelijk een bijzonder resultaat opgeleverd. Dat was mijn ontdekking dat in een 16e eeuws schilderij van Jan van Scorel (Maria Magdalena) bewust wordt verwezen naar het jaartal 2014. Dezelfde verwijzing vond ik in de ets Melencolia I van Albrecht Dürer. Een voorspelling dus, afgegeven door deze twee kunstenaars! Wilde ik daarover schrijven en tevens geloofwaardig zijn, dan kon ik het verhaal natuurlijk niet ná dat jaar publiceren. Dat zou te gemakkelijk zijn. Voor mij was het zaak dat mijn boek hierover al vóór het jaar 2014 uit zou komen…

En dat is dus gebeurd. Eind november 2013 verscheen via een Belgische uitgever mijn debuut feit-fictieroman “Het Gesso Mysterie”. Als pseudoniem gebruikte ik Duyo Geldrop. Dat was mijn toenmalige handelsnaam. Enige tijd later schreef ik voor mijn vrouw Wies Bakker, die als gediplomeerd paranormaal genezer een eigen praktijk heeft, het boekje “Mijn ervaringen als Medium de Witte Duif.”

Het boekje voor mijn vrouw werd later nog steeds onder het pseudoniem Duyo Geldrop onder een meer aansprekende titel (Fladderen tussen Mens en Medium) in eigen beheer opnieuw uitgegeven.

Op 5 januari 2018 verscheen “Het Hubertus Mysterie”, met wederom Duyo Geldrop als pseudoniem. Meer informatie vindt u op deze pagina en in een persbericht. Een groot verschil met de allereerste uitgave is dat ik met Jan Bakker WebTeksten nu zelf de uitgever ben, met een ISBN dat op naam van Jan Bakker WebTeksten staat. Hierdoor kan ik dus zelf de strategie van de publicaties bepalen.

In de week van 23-04-2018 verscheen een herziene uitgave van “Het Gesso Mysterie”. Dit boek is bijgewerkt met de nieuwste onderzoeksresultaten van Duyo Geldrop. Bovendien is de hoofdstukindeling gewijzigd en zijn enkele verhaallijnen gewijzigd. Klik hier voor meer informatie daarover. Vanwege deze aanpassingen sluit het boek ook beter aan op “Het Hubertus Mysterie” en het derde deel in de serie, dat eind 2019 zal verschijnen.

Het begon als hobby

Ik ben in geboren in Amsterdam, maar vanaf mijn 17de groeide ik op in Bussum. Mijn ouderlijk huis stond op loopafstand van de ongerepte heide tussen Bussum en Hilversum. Het was heide met een interessante ondergrond. Er bleken zich namelijk bewoningssporen in te bevinden van ver vóór onze jaartelling. Nabij Bussum lag ook de Vesting Naarden, met de prachtige dubbele omwalling. Mijn al aanwezige belangstelling voor geschiedenis en archeologie werd in ‘t Gooi snel verder aangewakkerd.

Poortwachters

Historie_Vesting_Naarden

In 1970 had ik op de Gooische HBS als geschiedenisleraar Dr. A.C.J. de Vrankrijker. Deze historicus was naast leraar auteur van verschillende boeken over de historie van ‘t Gooi. Het voordeel was dat deze docent dus werkelijk alles afwist van de plaatselijke historie. Daar stond tegenover dat het voor mij als leerling erg moeilijk was om daar in scripties een goed beeld van te schetsen. In de ogen van De Vrankrijker konden mijn scripties niet volledig genoeg zijn. Gelukkig wist hij mijn ijver en onderzoekszin doorgaans wel op waarde te schatten.

Naast mijn schoolwerk ondernam ik lange tochten over de heide om naar overblijfselen van vroeger te speuren. Ik deed alles alleen, hoewel ik wist dat er in de buurt een afdeling Naarden bestond van de jongerenvereniging NJBG – de Nederlandse JeugdBond voor Geschiedenis. In Amsterdam was ik al lid van die vereniging en las ik het verenigingsblad Fibula. Als langdurig “slapend” lid deed ik echter niet mee aan verenigingsactiviteiten.

logo van de NJBG

De Vrankrijker moedigde mij vaak aan om actief archeologie te gaan beoefenen. Daar was het wat mij betreft echter te vroeg voor. Ik was op dat moment nog niet toe aan het delen met anderen van mijn archeologische activiteiten. Het zou nog vijf jaar duren voordat ik echt betrokken raakte bij het archeologische verenigingsleven.

Het werd meteen een bestuursfunctie. Rond 1975 kozen de afdelingsleden mij als voorzitter van NJBG afdeling Naarden. Ik zou ongeveer twee jaar in die functie actief blijven bij de Poortwachters. Dat was de officiële naam van deze afdeling. De verenigingsruimte bestond namelijk uit een prachtige authentieke poortwachtersbunker in een van de Naardense vestingwallen.

Scheepswrakken

Na deze vroege bestuurservaring bleef mijn belangstelling voor archeologie en geschiedenis onverminderd aanwezig. Jarenlang was ik echter meer geïnteresseerd in mijn loopbaan. Voor verenigingswerk had ik geen tijd. Ik kocht wel allerlei boeken over uiteenlopende historische onderwerpen. Internet en Wikipedia bestonden toen nog niet en voor mij relevante informatie kwam voornamelijk uit themaboeken en naslagwerken. Reizen en vakanties stonden vaak in het teken van archeologie, museumbezoek en het bezichtigen van historische gebouwen.

scheepswrak

In 1982 verhuisde ik naar Lelystad. Daar raakte ik geïnteresseerd in de geschiedenis van de bodem van de vroegere Zuiderzee. De Noordoostpolder en de jongere polders Oostelijk en Zuidelijk Flevoland bleken prehistorische sporen in de ondergrond te herbergen. Uit latere perioden dateerden de scheepswrakken, die bij de droogleggingen aan het (dag)licht waren gekomen. Dieper gelegen wrakken werden gevonden als agrariërs op hun akkers stukken hout aanploegden. Soms ging het daarbij om oude boomstronken, maar vaker betrof het restanten van schepen die tijdens vroegere stormen waren vergaan. Flevoland bleek het grootste scheepskerkhof op drooggevallen land ter wereld te zijn. In deze provincie werden ruim 435 scheepswrakken geteld.

Afdelings- en hoofdbestuur

Na tien jaar in Flevoland gewoond te hebben hoorde ik op de radio dat een archeologievereniging bestuursleden zocht. Het bleek te gaan om de destijds sluimerende afdeling IJsselmeerpolders, een onderdeel van de AWN. De AWN was en is nu nog steeds dé Nederlandse vereniging van vrijwilligers in de archeologie. Ik meldde mij aan en werd vrijwel direct gevraagd of ik voorzitter van deze afdeling wilde worden. Het was toen 1992. Eén van mijn eerste voorstellen was om de naam van de afdeling te veranderen in AWN Flevoland.

logo AWN archeologie

Om organisatorische redenen trok ik al snel de banden met het landelijke hoofdbestuur van de AWN aan. De ruim twintig afdelingen in Nederland waren daar onder andere financieel van afhankelijk. Die contacten leidden binnen afzienbare tijd tot een telefoontje van de toenmalige landelijk penningmeester, wijlen Hans Hardenberg. Hij vroeg mij of ik hem in het hoofdbestuur als penningmeester wilde opvolgen. Dat liep echter anders, omdat het hoofdbestuur bijna gelijktijdig acuut zonder secretaris kwam te zitten. Deze functie heb ik vervolgens enige tijd als vervanger op mij genomen.

Naast voorzitter van de afdeling Flevoland trad ik dus tevens op als secretaris ad interim in zowel het hoofd- als in het dagelijks bestuur van de AWN. Wijlen Pieter van der Voorde was in die tijd voorzitter van de landelijke AWN. Ik werd tenslotte toch penningmeester nadat in de persoon van beroepsarcheoloog Bob Beerenhout een voortreffelijk landelijk secretaris was gevonden.

Archeologie Onder Water

logo_LWAOW

Naast mijn gewone werk in loondienst was ik in mijn vrije tijd bijna iedere avond met verenigingswerk bezig. Eén van de hoogtepunten was de tijdrovende oprichting van de Landelijke Werkgroep Archeologie onder Water (LWAOW) in 1994. Deze nieuwe werkgroep kwam voort uit mijn initiatief voor een duikerswerkgroep bij AWN Flevoland. Dit leidde tot intensieve contacten met de scheepsarcheologen Jaap Morel (oud-AWN’er) en wijlen Jeff van den Akker. In samenwerking met de archeologische beroepswereld verhief AWN-voorzitter Pieter van der Voorde mijn lokale initiatief tot een landelijke werkgroep. Het hoofdbestuur voegde deze snelgroeiende werkgroep toe aan mijn verantwoordelijkheid. Ik was toen nog steeds landelijk penningmeester en zou vijf jaar lang, tot 1999, nauw betrokken blijven bij de Landelijke Werkgroep Archeologie onder Water.

Van hobby naar beroep

Van 1992 tot 1999 heb ik enorm veel bestuurservaring opgedaan. In deze periode heb ik zeer intensief contacten onderhouden met AWN-afdelingen, maar ook en vooral met de archeologische beroepswereld.

Vandaag de dag ziet de archeologische wereld er heel anders uit dan vóór de eeuwwisseling. Beroepsarcheologen die vroeger ambtenaar waren hebben nu hun eigen commerciële bedrijven. Dat geldt eveneens voor veel van mijn vroegere contacten. Enkele daarvan zijn halverwege 2016 vernieuwd in het kader van een onderzoek in Noord-Brabant. Hierdoor maakt mijn vroegere hobby tegenwoordig onderdeel uit van mijn prachtige zelfstandige beroep als schrijver van feit-fictieromans. Daarbij vormt het onderzoek een onmisbare factor, iets waar ik mij helemaal thuis in voel. Omdat ik niet academisch ben geschoold, heeft het geen zin om de resultaten van mijn onderzoek officieel te publiceren. Dat is de reden waarom ik de opmerkelijke feiten die ik tijdens mijn onderzoeken weet te onthullen, in een fictief jasje vat…